Dysfatische ontwikkeling is een spraak-taal probleem. Er bestaat een groot verschil tussen het begrip van taal en het zelf kunnen verwoorden. Kinderen kunnen vaak wel spontaan overbrengen wat ze willen vertellen, maar ze vinden het lastig om daarbij een duidelijke verhaallijn te volgen. Ze komen laat tot spreken en verwoorden weinig hun spel of hun acties. Ook zoeken ze vaak naar de juiste woorden. Het moeilijkste is het antwoorden op vragen, dit wordt ‘op-commando probleem’ genoemd. Dit taalprobleem staat het ontwikkelen van vaardigheden in de weg.

Taal en handelen staan onlosmakelijk met elkaar in verbinding. Taal structureert het handelen en het handelen roept taal op. Deze processen beïnvloeden elkaar en vormen de basis voor het analyseren, reflecteren, op een logische wijze uitvoeren van vaardigheden en het probleemoplossend vermogen.

Bij kinderen met een dysfatische ontwikkeling komt dit proces vaak onvoldoende op gang. Het wordt voor hen lastig om de juiste volgorde van handelen te vinden, zich aan te sturen om op tijd te starten en te stoppen, te analyseren wat er mis of juist goed ging en het overzicht te houden. Hierdoor wordt het lastig om opdrachtgericht en planmatig te leren werken.

DOWNSYNDROOM

Kinderen met Downsyndroom hebben een dysfatische ontwikkeling en lopen vast in zowel hun taalontwikkeling als in het uitvoeren van vaardigheden. Het gevolg daarvan is dat ze hun handelen onvoldoende verbaal aansturen en veel moeite hebben met de leervoorwaarden zoals: gericht luisteren, beginnen met een taakje, volhouden, stoppen, wachten, opmerken, combineren, bijstellen en controleren. Een taak volgens een bepaalde strategie uitvoeren lukt daarmee niet goed. In veel gevallen is het visuele systeem juist sterk ontwikkeld en is daarmee het aangrijpingspunt om het participatieniveau te verbeteren.